Ruim 80 geïnteresseerden kwamen op een zonnige vrijdag 23 juni jl. bijeen in de Walburgiskerk te Arnhem, om te discussiëren over fouten bij restaureren en hoe ervan te leren. De KNOB en de Nederlandse Vereniging van Monumentenzorgers (NVMz) organiseerden deze studiedag gezamenlijk. De voorzitter van de KNOB, Henri Lenferink, benadrukte dat op deze dag technische fouten centraal staan en niet reconstructies die we achteraf gezien in twijfel kunnen trekken, of fouten bij het ontwerp van inmiddels historische gebouwen. De locatie van de studiedag , de Walburgiskerk, was in de 19de eeuw zelf ook onderhevig aan een slechte restauratie, met instorting van een deel van kerk en toren tot gevolg.
De keten in het proces van restauraties werd op deze studiedag onder de loep genomen en daarbij de rol van de restauratiearchitecten, aannemers, overheid, onderwijs en de opdrachtgevers.
’s Middags lag de focus op het herstellen van fouten van eerdere restauraties bij de nabijgelegen Eusebiuskerk en -toren.
Martin van Bleek, vicevoorzitter van de NVMz, ging in op het belang van het beschouwen van de keten en op de samenwerking tussen de betrokkenen bij restauraties. En op het mogelijk vaker samen met de KNOB organiseren van studiedagen.

Welke instrumenten hebben we nodig om het leren van fouten bij eerdere restauraties te organiseren? Michiel van Hunen (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) concentreerde zich in zijn lezing op de organisatie van dit leerproces; hoe organiseren we het leren en vooral het van elkaar leren? Na een aantal klassieke restauratiefouten te hebben genoemd, zoals het impregneren van ademende steensoorten, verkeerd isoleren van spouwmuren en niet bij het metselwerk passende voegwerk, presenteerde Van Hunen enkele instrumenten die een ‘goede’ restauratie ondersteunen. Voorbeelden hiervoor zijn de inmiddels 18 uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting ERM (Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg). De ERM verstrekt informatie over erkende restauratiepartijen, van architect tot leidekker. Met het inschakelen van erkende partijen wordt de kans op fouten bij restaureren veel kleiner. Van Hunen wees ook op het belang van kennisverspreiding van traditionele restauratietechnieken in het MBO en via cursussen zoals van het Nationaal Restauratie Centrum. Hij benadrukte ook de blijvende rol van de overheid, met toepassing van restauratierichtlijnen en bij het toezicht op restauraties.
In de discussie volgde een pleidooi voor de oude rol van de Rijksdienst in de begeleiding van restauraties (van voor de Monumentenwet van 1988) en de vraag hoe het toezicht en de inspectie op de gemeenten is geregeld. Dat is tegenwoordig een taak van de provincies.

Stefanie Weser (TAK Architecten en bestuurslid VAWR) ging in haar presentatie verder in op de keten die zo belangrijk is voor een geslaagde restauratie. De restauratiearchitect is niet alleen een ‘reparatiearchitect’, maar meer een regisseur en verantwoordelijk voor de bouwkwaliteit. De input van het aan de restauratie voorafgaande onderzoek en de analyse is voor een gedegen afweging door de (restauratie)architect essentieel. De stap tussen onderzoek en ontwerp is volgens Weser de gouden basis voor een succesvolle restauratie.
Helaas heeft de (restauratie)architect vervolgens niet altijd de mogelijkheid om het uitvoeringstraject dat op het definitieve ontwerp volgt te begeleiden. In tegenstelling tot in bijvoorbeeld Duitsland, waar de (restauratie)architect de bouw tot en met de uitvoering begeleidt en verantwoordelijkheid draagt waardoor hij er beter grip op houdt.
Als voorbeeld voor een fraaie samenwerking tussen onderzoeker(s) en restauratiearchitect haalde Weser de restauratie van de Cenakelkerk van Jan Stuyt te Berg en Dal aan. De kerk is van 1913 tot 1915 gebouwd en na 1928 voorzien van schilderingen door Piet Gerrits. TAK Architecten restaureerde deze voor de Nederlandse architectuur unieke kerk in 2010. Ook hier ging het om herstel van fouten van een eerdere restauratie. Door een in de jaren ‘80 aangebracht inefficiënt verwarmingssysteem bleef het kerkgebouw op de grond koud en steeg de warmte naar de koepel waar de schilderingen aan de hitte blootgesteld werden, zonder ventilatie. Weser liet het schadebeeld zien. De restauratiearchitecten realiseerden een vloerverwarmingssysteem dat voor een gelijkmatige basistemperatuur zorgt waardoor de schilderingen bewaard blijven. De expertise van de restauratoren was bijzonder waardevol in deze restauratie. Doordat deze restauratie nauwkeurig gedocumenteerd is kan zij bij volgende restauraties als basis dienen. Belangrijk is het overdragen van kennis bij het beheer op de lange termijn, in de praktijk blijkt helaas dat de kennis al op korte termijn verdwijnt.

Josepha Kempl (Nebest Adviesgroep) nam de deelnemers mee naar de uit 1873 stammende Pelmolen te Vlaardingen die in 2002 als gemeentelijk monument werd aangewezen. De Pelmolen is een monumentale kolos van metselwerk buiten het sluiscomplex van Vlaardingen. Door overstromend rivierwater staat de plint van het gebouw regelmatig onder water. Hiervoor werden in het verleden maatregelen genomen, die tegenwoordig voor de restauratie technische problemen opleveren. In haar lezing lichtte Kempl de benaderings- en werkwijze, problemen en uitdagingen voor de aanstaande gevelrestauratie toe. Wegens de blootstelling van het metselwerk aan zout water werd de gevel in het verleden met epoxy geïmpregneerd en gehydrofobeerd. Hiervoor werd het voegwerk fors uitgehakt en met voegmortel uitgevuld die volgens huidige inzichten twijfels oproepen. Deze eerder getroffen maatregelen stellen de hedendaagse restaurateurs voor de uitdaging hoe nieuwe voegspecie zal hechten en met name welke aannemer een garantieregeling verzorgt en wie de verantwoordelijkheid voor het werk neemt. Nebest spreekt ook van ‘restauratieschade’, een begrip dat het thema van de studiedag in één woord samenvat.

John van den Heuvel (Steenhouwerij Maarssen) liet indrukwekkende voorbeelden van slechte toepassing van technieken en onervaren omgang met natuurstenen zien.
Hij schetste herkomst en winning van ‘steen uit de natuur’ en de fouten die kunnen ontstaan bij het bewerken en het detailleren. Te dunne natuursteenplaten, verkeerde toepassing van het ‘leger’, verkeerde stel- en voegmortels, slecht inboeten, kopiëren of repareren tot en met een verstikkende verflaag kwamen aan bod. In sommige gevallen blijkt een totaal ontbrekend vakmanschap. Niet bij alle restauraties wordt de kunde van het eeuwenoude ambacht van de steenhouwer op de juiste wijze betrokken, wat kan leiden tot het verlies van authentieke detaillering, tot vernieling van de natuursteen en onnodige vervanging. “Gelukkig is er ook nog steeds kennis en vakmanschap om de monumenten in stand te houden, en daar moeten we heel zuinig op zijn!”

Bij een studiedag over restauraties mag de visie van de gemeente niet ontbreken. Jeroen Kautz (Gemeente Arnhem) sprak over de taak van de gemeente om te inspireren, te stimuleren en te overtuigen teneinde de (restauratie)kwaliteit van uitvoering te optimaliseren. Na een korte inleiding over de historie van en de monumenten binnen Arnhem legt Kautz aan de hand van een aantal praktijkvoorbeelden uit hoe de afdeling voor monumenten te werk gaat. Aan het begin van elk project is een locatiebezoek om een realistisch beeld van de situatie te verkrijgen en met de eigenaren te spreken. Een in enkele gevallen destructief onderzoek laat vervolgens zien welke originele constructies aanwezig en waardevol zijn. De gemeente laat in veel gevallen aansluitend (bouwhistorisch) onderzoek naar het pand uitvoeren. De gemeente Arnhem werkt op een praktische wijze samen met de restauratieaannemers. Kautz gaat hierbij ook in de werkwijze bij bepaling van kleuren, mede aan de hand van onderzoek.
Volgens Kautz is het essentieel dat de erfgoeddeskundigen van de gemeente een persoonlijke benadering hanteren en een goede vertrouwensband met de eigenaren van de te restaureren panden opbouwen. Daartoe behoort een bezoekafspraak waarbij aanvrager, architect en casemanager van de gemeente respectievelijk de omgevingsdienst aanwezig zijn. De gemeente moet bereid zijn te faciliteren bij het doen van bouwtechnisch, bouwhistorisch en kleurenonderzoek.

Ter voorbereiding op de aansluitende rondleiding door de Eusebiuskerk vertelde Erik Jan Brans (architectenbureau Rothuizen Van Doorn ’t Hooft) de deelnemers over de (restauratie)historie van de grotendeels 15e -eeuwse kerk. De herbouw en de restauraties na de oorlogsschade bleken niet altijd goed uitgevoerd. In 2007 viel een stuk steen van de toren, uiteindelijk is het herstel aan kerk en toren nu zeer ingrijpend.
Aan het begin van de huidige restauratie formuleerde Brans de volgende onderzoeksvragen:

  • Hoe is de toren opgebouwd?
  • Is het mogelijk de kwaliteit van de toren door middel van meten te bepalen?
  • Waarom komen de (hoek) montants los?
  • Is het mogelijk montants uit te nemen zonder verlies van het parement?
  • Waarom “ruien” bepaalde stukken parement?
  • Wat is de oorzaak van de verticale scheurvorming in de montants?
  • Waarom vallen ornamenten er spontaan af?
  • Waarom gaan specifiek de waterlijsten stuk en blijft het parementwerk goed?

Uit onderzoek bleek dat tufsteen, gebruikt voor de toren, niet bestendig is tegen vocht van achteren of van boven. Tevens bleek dat het hakken op niet massieve onderdelen scheuren in de steen veroorzaakt, daarom wordt nu geschaafd. Tufsteen werkt en is daarom niet geschikt om als slanke blokken te gebruiken. De restaurateurs besloten voor horizontale lijsten, vensters en beeldhouwwerk vervangende steen te gebruiken, zoals Peperino Duro en Muschelkalksteen. Ook voor steensoorten die gevijld en gezaagd moeten worden wordt soms een alternatief voor de oorspronkelijke tufsteen gebruikt. Voor een betere stabiliteit werden de blokhoogten gereduceerd en verankeringen  aangebracht.
Over de eerdere restauraties concludeerde Brans dat de grootste fouten zijn gemaakt doordat het bestek niet werd gevolgd.

Na deze toelichting bekeken de deelnemers aan de studiedag de restauratie van de Eusebiuskerk en –toren in de praktijk. Arjen Witjes (aannemingsbedrijf Nico de Bont) organiseerde de rondleiding in drie groepen: met gidsen door de kerk, in de bouwkeet waar Erik Jan Brans inging op vragen en een bezoek op de steiger voor een blik op de restauratie van de gevels van de toren. Een groot deel van het natuursteen van de eerste en vooral de tweede trans wordt nu op deskundige wijze vervangen. Witjes vertelde enthousiast over de uitvoering. Opvallend is dat vervanging aan de lantaarn, na de oorlog uitgevoerd naar een ontwerp van T. Verlaan, relatief beperkt is.
In het restauratieatelier staan nu beelden die de oorspronkelijke sculpturen gaan vervangen.

De dag werd afgesloten met een hapje en drankje, terug in de Walburgiskerk.
Deze studiedag van de KNOB en de NVMz geeft mogelijk aanleiding tot een vervolg, over fouten bij ontwerpen, bouwen en restaureren.

Geplaatst op